liturgie 17-10-2021

We zingen als aanvangslied lied 111:1,3,4.
Stil gebed.
Votum en groet.
We zingen lied 111:6.
Gebed.
We zingen lied 9:1,4,5,9.
Leefregel.
We zingen lied 146a:1,2,4.
Gebed.
We lezen als 1e bijbelgedeelte Pred. 7:23-29.

23 Dit alles heb ik met mijn wijsheid onderzocht. lk zei tegen mezelf: ‘Laat ik wijsheid zoeken’, maar ze bleef ver weg. 24 Ver is alles, wat er geweest is, dieper nog dan diep. Wie zal ooit inzicht vinden? Ik heb met heel mijn hart kennis gezocht, en alles, wat er is, heb ik proberen te doorgronden. 25 lk heb wijsheid gezocht, en wilde tot een slotsom komen; van het kwaad heb ik de dwaasheid willen kennen, van de dwaasheden de waanzin. 26 En wat ik vind, is altijd weer een vrouw, die bitterder dan de dood is, die een valstrik is. Haar hart is een klapnet, en haar handen zijn ketenen. Een mens, die God behaagt, zal aan haar ontsnappen, maar een zondaar laat zich door haar strikken. 27 Al met al, zegt de Prediker, is dat de slotsom van mijn onderzoek. 28 lk heb met hart en ziel gezocht, maar nog altijd niet gevonden. Onder 1.000 mensen vond ik er maar één, die ook werkelijk een mens was, maar het was geen vrouw. 29 Alles, wat ik vond, is dit: de mens is een eenvoudig schepsel. Zo is hij door God gemaakt, maar hij heeft talloze gedachtespinsels.

We zingen lied 800:1.

We lezen als 2e bijbelgedeelte Luk. 14:15-24.

15 Toen één van de anderen, die aan tafel aanlagen, dit hoorde, zei hij tegen Hem ‘Gelukkig allen, die aan de maaltijd in het koninkrijk van God deelnemen zullen!’. 16 Jezus vervolgde: ‘Iemand wilde een groot feestmaal geven, en nodigde tal van gasten uit. 17 Toen het tijd voor het feestmaal was, stuurde hij zijn dienaar naar de genodigden om tegen hen te zeggen “Kom, want alles is klaar”. 18 Maar een voor een begonnen ze zich te verontschuldigen. De eerste zei “Ik heb net een akker gekocht, die ik beslist bekijken moet gaan. Tot mijn spijt kan ik de uitnodiging niet aannemen”. 19 En een ander zei “Ik heb 5 span ossen gekocht, en ik ga hen keuren; tot mijn spijt kan ik de uitnodiging niet aannemen”. 20 Weer een ander zei “Ik ben pas getrouwd, en daarom kan ik niet komen”. 21 Toen de dienaar teruggekomen was, bracht hij zijn heer verslag uit. De heer van het huis ontstak in woede, en zei tegen zijn dienaar “Ga vlug de stad in, en breng uit de straten en stegen de armen, kreupelen, blinden en verlamden hierheen”. 22 Toen de dienaar aan hem melden kwam “Heer, wat u opgedragen hebt, is gebeurd, en toch is nog er plaats”, 23 zei de heer tegen hem “Ga naar de wegen en de akkers buiten de stad, en nodig iedereen met klem uit, want mijn huis móét vol zijn. 24 Want ik zeg jullie: niemand van degenen, die eerst uitgenodigd waren, zal van mijn feestmaal proeven”.’

We zingen lied 139:1,2.
Prediking.
We zingen lied 66:1,5,7.
Gebed.
We zingen als slotlied lied 838:1,2.
Zegen.